Sandtmannlaan 19 Naarden

Elisabeth Boutelje-Elte
Alkmaar 25 december 1864 – Sobibor 16 april 1943

Abraham Elias Boutelje
Amsterdam 29 maart 1894 – Sobibor 16 april 1943

Anna Clara Boutelje
Amsterdam 27 december 1895 – Auschwitz tussen 06 mei 1944 en 31 augustus 1944

Op 31 mei 1893 trouwt de boekhandelaar Israël Boutelje in Alkmaar met de onderwijzeres Elisabeth Elte. Israël overlijdt op 27 augustus 1924 in Amsterdam. In het Algemeen Dagblad wordt hij herdacht:

Gisteren overleed alhier, 60 jaren oud, de heer I. E. Boutelje, lid van de uitgeversfirma Van Creveld & Co., mede-uitgever van het ‘Centraal Blad voor Israëlieten in Nederland’. De overledene was bekend om zijn groote – bibliografische kennis, waardoor het hem mocht gelukken een interessante bibliotheek te verzamelen. Vele letterkundige producten, waarbij ook gedichten in de Hebreeuwsche en Nederlandsche taal, zagen van zijn hand het licht, terwijl hij ook heeft bijgedragen in de samenstelling van de Jewish encyclopedieën. Als godsdienstonderwijzer was hij jarenlang verbonden aan de Israëlietische godsdienstscholen hier ter stede.

Abraham, roepnaam Bram, wordt als oudste kind van Israël en Elisabeth in 1894 geboren. Een jaar later krijgt hij een zusje: Anna Clara, in het dagelijks leven Annie. In 1900 wordt Clara Anna Serlina geboren. De kinderen groeien op in de Nieuwe Kerkstraat. Zij kunnen alle drie goed leren en krijgen de mogelijkheid om te studeren. Het is een hecht gezin dat geregeld een beroep op elkaar doet. Bram volgt na de middelbare school de opleiding M.O. Russische taal- en letterkunde in Leiden. In januari 1920 vermeldt dagblad De Standaard:

De heer A. E. Boutelje, leeraar M. O. Russische taal en letterkunde, is door de Arrondissements Rechtbank alhier beëdigd als translateur voor de Serbo-Kroatische en Tsjechische talen. Voor de laatstgenoemde talen bestond tot nog toe geen translateur in Nederland.

In 1922 studeert Bram als eerste universitair geschoolde slavist in Nederland af. Hij ontvangt een beurs van de Tsjechische regering en studeert een jaar in Praag. Aansluitend verricht hij taalonderzoek in Slowakije. In 1929 promoveert Bram Boutelje in de slavistiek. Bram wordt een gevierd vertaler. Recentelijk werd hij nog meestervertaler genoemd. Tussen 1925 en 1932 publiceert hij maar liefst 41 vertalingen van verhalen en romans in dagbladen. Tevens vertaalt hij literatuur uit het Pools, Russisch, Tsjechisch, Hongaars en Fins. Daarnaast is hij ook het Roemeens machtig en stelt Van Goor’s miniatuur Tsjechisch Woordenboek samen, waarvan tussen 1936 en 1970 vier edities verschijnen. In 1937 kent de Tsjechische President hem de Medaille 1ste klasse der Orde van den Witten Leeuw toe voor zijn verdiensten voor de bekendheid van de Tsjechische taal en literatuur in Nederland. Vanaf 1938 tot de zomer van 1940 geeft hij samen met twee collega’s het maandblad De Sovjet-Unie uit. Ook hierin staan vertalingen van zijn hand en redactionele stukken over de staat, politiek en cultuur van de Sovjet-Unie. Voorjaar 1941 begint Bram met de vertaling direct uit het Russisch van Tolstoj’s Oorlog en Vrede. Hij werkt tijdens de bezetting in hoog tempo door. In de zomer van 1942 vraagt hij uitstel van transport naar Westerbork aan. Dat wordt hem onder meer verleend op grond van het feit dat hij de enige bij de Rechtbank toegelaten en beëdigde vertaler is voor de Serbo-Kroatische en Tsjechische talen. Hij heeft goede hoop nog langer uitstel of zelfs vrijstelling te krijgen. Een paar weken later zijn alle ruim 1200 pagina’s van Oorlog en Vrede vertaald in het Nederlands. Bram Boutelje maakt de publicatie van zijn vertaling in 1949 niet meer mee. In 1973 verschijnt de laatste herdruk. Bram blijft vrijgezel.

Elisabeth Boutelje-Elte verhuist samen met haar zoon Bram in april 1927 naar de Sandtmannlaan 19 in Naarden. Begin juni 1942 moeten ze net als andere Joodse inwoners van het Gooi naar Amsterdam verhuizen waar ze op het adres Waterlooplein 81hs worden ingeschreven. Vanaf dat adres schrijft Elisabeth op 2 juli 1942 aan haar jongste dochter op Java: ‘Allen gezond. Verhuisd Amsterdam, Waterlooplein 81, zeer kleine woning. Druk familiebezoek geëvacueerden. An op school Joodsche kinderen. Tramhalte voor deur. Eten gaat. Behulpzame buren. Moeder.’

Op 6 april 1943 arriveren Elisabeth Boutelje-Elte en Abraham Elias in kamp Westerbork. Een week later op dinsdag 13 april 1943 gaan ze op transport. De trein heeft vernietigingskamp Sobibor als bestemming. Na aankomst op 16 april worden moeder en zoon in de gaskamers vermoord.

Achternicht Ginette Reens schreef ter nagedachtenis aan haar oudtante Anna Clara Boutelje:

Oorlog en Vrijheid
Annie gaat naar de Kweekschool in Amsterdam en behaalt in 1915 het diploma onderwijzeres. In 1917 woont ze in Den Haag waar ze als klerk bij een fruitcentrale werkt. In mei 1918 keert ze terug naar Amsterdam en behaalt er de acte L.O. Engels. Uit een advertentie in het Centraal blad voor Israëlieten in Nederland uit 1924 blijkt dat ze Engelse les geeft in haar moeders huis aan het J.D. Meijerplein. Vanaf 1932 is Annie onderwijzeres aan de Baarsjeswegschool in Amsterdam. In 1935 koopt ze een buitenhuisje in de bossen bij Oldebroek aan de rand van de Veluwe. Zij brengt er veel tijd door met haar toenmalige vriend met wie zij sinds 1921 een relatie heeft. Zij trouwen niet. Van 1938 tot 1 maart 1941 werkt Annie als onderwijzeres aan de Boumanschool in de Rustenburgerstraat. Dan wordt ze met 132 andere Joodse leerkrachten in het Amsterdamse lager onderwijs ontslagen. Vervolgens mag ze alleen nog aan Joodse kinderen lesgeven. Vanaf 30 mei 1941 woont Annie in de Nickeriestraat 46. Op 8 december 1943 wordt ze samen met haar vriend aangehouden. Het fouilleringsrapport van de politie laat zien dat ze bij haar arrestatie in het bezit is van een horloge, een broche en 38 cent.

Annie wordt op 24 maart 1944 opgepakt. Ze komt op 1 april in Westerbork aan. Op woensdag 5 april gaat ze op transport naar Auschwitz. Zij wordt vermoedelijk geselecteerd voor dwangarbeid en overlijdt er tussen mei en eind augustus 1944.

De jongste dochter van het gezin Boutelje, Clara, trouwt in 1926 met Abraham (Bram) van Leer. Zij vestigen zich op Java en krijgen vier kinderen. Tijdens de Japanse bezetting zit zij met haar kinderen in een Jappenkamp. Pas in februari 1945 ontvangt Clara via het Rode Kruis haar moeders bericht van 2 juli 1942. Na de bevrijding in augustus 1945 vervliegt haar hoop en dringt de bittere waarheid tot haar door: haar moeder, broer en zus zijn allen door de nazi’s vermoord.

Clara’s man overleeft de torpedering van de Junyo Maru evenals dwangarbeid aan de Pakan Baroe spoorlijn. Op 7 december 1945 wordt het gezin herenigd op de kade van Singapore. Clara overlijdt in 1984.

Bron: Joods Monument, Arolson Archives, Delpher, stadsarchief Amsterdam, Ginette Reens

Deze stenen zijn gelegd door stichting Instandhouding Joods Erfgoed Gooi & Vechtstreek.