Johan Schoonderbeeklaan 10 Naarden

Walter Steffens
RustSchuik (Bulgarije) 1894 – Ludwigsdorf 1944

Rosa Steffens-Loewenstein
Krakau (Polen) 1897 – Auschwitz 1943

Richard Steffens
Berlijn 1922- Auschwitz 1943

Peter Steffens
Berlijn 1924 – Ludwigsdorf 1944

Marianne Steffens
Berlijn 1926 – Auschwitz 1943

Walter Steffens is van oorsprong Bulgaars. Hij is in 1894 geboren in RustSchuik, een stadje aan de Donau op de grens met Roemenië. Rosa Loewenstein komt uit Polen. In 1897 werd zij in de joodse wijk Podgorz van de stad Krakau geboren. Zij trouwen in Breslau in 1919. Aan het begin van de twintiger jaren woont het echtpaar in Berlijn, in de wijk Steglitz. Daar worden hun drie kinderen geboren: Richard in 1922, Peter in 1924 en in 1926 Marianne.

In augustus 1933 komt de familie Steffens naar Nederland. Vader eerst, twee weken later de moeder met de kinderen (die dan 10, 9 en 7 jaar oud zijn). Eerst wonen zij in Amsterdam-Zuid, maar na drie jaar verhuizen ze naar het dan net gebouwde huurhuis aan de Naardense Johan Schoonderbeeklaan. Inwonend in het gezin is de eerste jaren een dienstbode.

Vader Steffens is werkzaam in de effectenhandel. Het gezin leeft in welstand, zo blijkt wel uit de later gemaakte overzichten van hun bezittingen. Overal in huis boeken, kunst aan de muren. Het echtpaar is bevriend met andere stellen in Naarden en Bussum, wat later van grote betekenis zal zijn.

De kinderen gaan naar de Gooische H.B.S. aan de Constantijn Huygenslaan. Peter en Marianne verruilen deze school later voor de Brandsmaschool in Het Spiegel. In het archief van de Gooische HBS wordt het verslag bewaard van een rapportvergadering in juni 1940. Er wordt langdurig gediscussieerd over Peter Steffens. Hij wordt na een hoofdelijke stemming niet naar de vierde klas bevorderd “al erkent de vergadering dat deze knaap als uitgeweken Duitse jood onder bijzondere druk geleefd heeft”. Peter slaagt aan het eind van het volgende schooljaar voor het MULO B-diploma op de Brandsmaschool. In augustus van 1941 verordent de bezetter dat joodse kinderen met ingang van het nieuwe schooljaar in aparte scholen moeten worden onderwezen. Niet duidelijk is waar Marianne toen naar school is gegaan.

In februari 1941 laat het gezin zich na een oproep daartoe bij de gemeente registreren als Nederlands Israëlitisch. Zoals zovelen realiseert ook de familie Steffens zich waarschijnlijk niet welke consequenties deze registratie heeft. In de loop van 1941 wordt dit duidelijk: de anti-joodse maatregelen volgen elkaar in een steeds sneller tempo op. Zo wordt met ingang van 1 mei 1941 aan joden, dus ook Walter Steffens, de toegang tot de effectenbeurs verboden. Een andere maatregel is de gedwongen verhuizing naar Amsterdam. In mei 1942 bezoeken ambtenaren van de Einsatzstab Rosenberg het huis aan de Schoonderbeeklaan. Zij noteren ter voorbereiding op de zogenoemde evacuatie alle eigendommen van de familie Steffens.

Als een Naardense politieman een week later een controlebezoek aflegt om onder meer de afdracht van de huissleutel te bespreken tekent hij de opmerking aan “mag verhuizen”. Deze aantekening wijst erop dat de familie Steffens zelf een adres in een van de aangewezen Amsterdamse wijken gevonden heeft. Walter Steffens is dan druk bezig om een selectie te maken van de meubels en andere eigendommen die zij naar hun nieuwe adres in Amsterdam meenemen, en van wat zij in bewaring geven aan vrienden, kennissen en buren. Ook vertrouwt Steffens zijn eigen aandelen, obligaties en verzekeringspolissen aan ze toe.

Eind juni 1942 worden de Naardense joden uit hun huizen gezet. Op de evacuatielijsten staan de Steffens genoteerd bij de eerste evacuatiedag (29 juni 1942), maar pas op 21 juli worden ze ingeschreven op het adres Edelweissstraat 145 huis. Kennelijk is het de Steffens niet gelukt om zelf een toegestane woning te vinden. De Edelweissstraat maakt deel uit van Asterdorp, een ommuurde wijk in Amsterdam Noord die oorspronkelijk bedoeld was voor asociale gezinnen.

Het verblijf in de kleine woning in Amsterdam Noord is van korte duur. Na nog geen twee maanden, op 2 september 1942, wordt de familie Steffens naar Westerbork gedeporteerd. Ook daar zijn de ouders en de drie tieners maar kort. Al op 4 september 1942 volgt het transport naar Auschwitz. Een eindbestemming vlak bij de geboorteplaats van mevrouw Steffens.

Waarschijnlijk zijn de vader en de beide zoons, en moeder en dochter meteen bij aankomst in Auschwitz gescheiden. Rosa Steffens-Loewenstein (45 jaar oud) en Marianne Steffens (15 jaar) zijn meteen vergast. In de later opgemaakte overlijdensverklaring wordt september 1943 vermeld.

De oudste zoon Richard wordt vanuit Auschwitz naar de kolenmijn van het buitenkamp Fürstengrube getransporteerd. Hij overlijdt daar op 21-jarige leeftijd in november 1943. Vader Steffens en jongste zoon Peter worden doorgestuurd naar het werkkamp Ludwigsdorf. In januari 1944 zullen beiden daar overlijden, Walter Steffens (49 jaar oud) in de eerste week en Peter (20 jaar) in de laatste week van die maand.

Na de bevrijding ontstaat een complexe situatie. Er zijn geen overlevende familieleden van de Steffens kant. De enige nazaat van de kant van mevrouw Steffens is haar moeder, die in 1941 vanuit Duitsland naar de Verenigde Staten is gevlucht. Zij overlijdt daar in 1947, waarmee haar twee kinderen de erfgenamen worden. Een curator wordt aangesteld om de nalatenschap te regelen. Met behulp van een ver familielid (Fritz Hirschstein) probeert deze curator alle in bewaring gegeven eigendommen te verzamelen. Uiteindelijk krijgen de Amerikaanse wettelijke erfgenamen “sieraden, enig meubilair, enige kledingstukken, linnengoed en diversen, zomede fl. 1.542, 51”. Waar de andere verzamelde goederen gebleven zijn is niet duidelijk. Alle persoonlijke eigendommen zoals foto’s en brieven zijn verdwenen. Voor altijd.

Bronnen: Joods Monument, Arolsen Archief, Nationaal Archief, Archief NIOD, Archief Gooi en Vechtstreek, P. Schneiders & E. Hueting: Eeuwboek Goois Lyceum 1911-2011.